Het was 2021 midden in de pandemie dat we hadden besloten om met de auto naar Portugal te gaan. En dan naar Povoas e Meadas, een klein verlaten dorpje in het oosten tegen de Spaanse grens aan.
We waren in 2017 hier al geweest maar hadden verder geen contact met de eigenaren van het huisje wat we huurden. Dona Graça maakte schoon en haar man zorgde ervoor dat we elke morgen vers brood kregen.
Maar goed, de plek was heerlijk rustig en voelde erg goed.
Na de reservering kreeg ik een mail van Paula of het de eerste keer was dat we kwamen en ik vertelde dat het de 2e keer zou zijn.
Zij beloofde nu ook aanwezig te zijn samen met haar man Alvaro en Bella.

Omdat we normaal gesproken in september op reis richting het zuiden gingen, zouden we nu eens net voor het hoofdseizoen gaan.
Begin juni hebben we de spullen gepakt en onze eerste echte stop zou San Sebastiaan worden (ik had de aflevering van Ilja Gort gezien en dat zou ik ook wel eens willen zien).
Wat een mooie bruisende stad is het. Het leven speelt zich af op straat en in het centrum staat eten centraal. Overal zie je pincho’s ( tapas) barretjes en je eet en drinkt op straat, wat een gezelligheid.
Dit is gewoonweg genieten van het leven.


San Sebastiaan heeft ook een geschiedenis, het schijnt dat de koningen daar hun vakantieverblijven aan het strand hadden en dat was ook wel te zien.


Er is een klein strand waar iedereen hutje mutje naast elkaar ligt en er zijn rondvaartboten die je een tour geven langs de kust. Erg mooi allemaal.
Wat erg opvallend was, is dat ’s morgensvroeg de schoonmaakdienst de binnenstad weer spik en span maakte. Had je s’avonds de geur van urine, ’s morgens had je de geur van bleek.

Maar goed na 2 dagen hadden wij het wel bekeken, het was een erg leuke ervaring maar niet te lang.

We reden de stad uit en wat ons beide opviel was hoe lekker het rijden was richting het zuiden.
We reden via Salamanca richting Portugal.

En zo kwamen we bij Bocado een klein dorpje/gehuchtje in de bergen.
Wat een geweldige eigenaar, Nathalino, een pensionado uit Sintra die hier nu de boel verhuurde. Op de laatste avond kwam hij bij ons met een bierflesje ( jaja een echte beugelfles van Grolsch), gevuld met zijn eigen wijn.
Hij was diegene die ons wees op het mooie dorpje Piódõa, vooral de heenrit zou geweldig zijn. Nou niet toen wij er heen reden want het was behoorlijk mistig, we zagen weinig onderweg.
Tot we de laatste bocht van de berg afkwamen, dook het dorpje als het ware uit de mist op.
Zo romantisch…


Piódõa
Het is een piepklein pittoresk dorpje in de heuvels van het natuurgebied Serra do Açor.
Op het internet wordt gezegd dat het zo uit een sprookjesboek kan komen, nou ik zeg je, het is zo.
De huisjes zijn allemaal grauw met blauwe kozijnen en er in het midden van het dorpje heb je de kerk en die is wit.
Mocht je ooit in de buurt zijn, dan is het echt de moeite waard om het te zien.

De Torre
Dit is het hoogste gebergte van Portugal en we waren “ach” in de buurt, dus wij de auto gepakt en op weg naar het hoogste punt van Portugal.
Wederom prachtig (nu ben ik geen fan van autorijden, maar dit maakt veel goed) Ook fijn dat de koeien op hun dooie gemakkie midden op de weg staan te koekeloeren haha.

Na een week reizen we verder en rijden we Alentejo en al gauw de bekende omgeving binnen, het voelt als thuiskomen, de kurkeiken in het dorre landsschap met her en der de grote keien (wij noemen ze ook wel hunebedden).

En na een kleine 2300 km rijden komen we aan in Povoas e Meadas waar we een super hartelijk ontvangt krijgen van eigenaresse Paula, haar man Alvaro en Bella.

Bella 🙂


Geweldige leuke lieve mensen waar we tot op de dag van vandaag nog steeds een hele leuke vriendschap mee hebben. Ze zijn bij ons in Nederland geweest en ze vroegen ons af waarom we Povoas ( zoals wij het verkort noemen) zo fijn vonden.
Haar woorden ” All those things , you have it here” en dat zal het zijn, een soort van thuiskomen in het buitenland.

We maakten kennis met de ( belgische) buurvrouw waar ik echte pure olijf olie heb gekocht en we hebben de Miradouro Foz do Ocreza gelopen. ( De volgende keer loop ik hem graag bij 25 graden i.pv. 40 🙂 maar het was prachtig).
Ook bezochten we Castello de Vide een stadje in de buurt en ik kan je vertellen, vertrouw niet op google als je een grote wagen hebt 🙁
De straatjes zijn te smal voor een stationwagen, dus namen we een stukje muur en een grote deuk mee terug als aandenken.

Povoas moesten we verlaten voor de terugreis, we hadden een plekje geboekt in Duravel/Frankrijk.
Bij Francois en Nicole, een super leuke plek. Een grote schuur was omgebouwd tot woning en we hadden beschikking tot het warme zwembad (32 graden).
Mijn frans gaat tot “oui” en “non” enne “je ne sais pas’ en zei spraken geen engels hmm.
en toch nam Nicole me de eerste morgen mee om ” de tuin” te laten zien. Dit was 9 etage hoog op de berg, letterlijk met handen en voeten communiceren en we snapten elkaar. Echt super.
Jammer genoeg moesten we ons verblijf afbreken omdat Marcel corona bleek te hebben.
Foto’s heb ik, hele mooie, maar er werd mij op mijn hart gedrukt dat ik ze alleen privé ga gebruiken en niet op het internet ga plaatsen.
Nicole bleek zelf ook een fotografe te zijn :).

En dan, corona en je zit te ver van huis om in een stuk door te gaan.
Dan maar op zoek naar iet waar je super privé zit en geen of heel weinig contact hebt met de eigenaar.
We kwamen uit in Saint leger sous beuvray, aan een kleine vijver in een soort van ondergrondse hut haha.
Natuurlijk met privé terras en als huisdieren de eenden van de vijver.
Allemaal heel minimalistisch maar fijn.
Het uitzicht was formidabel 🙂

Hier zijn we een paar dagen geweest en toen zijn we weer richt huis gereden.

Maar wat een ervaring, we hebben veel leuke dingen gezien, gedaan.
en we komen zeker weer terug.
Er is nog zoveel te zien.